Mijn papa vond mannen met lang haar een leuk soort mannen en onderweg naar de glazen kooi telde hij alle exemplaren.


(c) Jerina Malfait

    I.            Het waren altijd heel stoere mannen en soms verzonnen we blues liedjes over hen. Dan maakten we lange zinnen en riepen er TADEU DEDEU achter (dat waren de gitaren) want pas dan was iets blues.


      II.            In de glazen kooi wordt alles snel anders. Het ding is dat de wereld buiten gewoon verder draait maar daarbinnen een nieuwe wordt geboetseerd. Ze hebben er rode, fluwelen zeteltjes neergezet waardoor je er makkelijk naar kunt kijken. Er geldt één regel in de glazen kooi: je mag niet meespelen. Mijn papa en ik vonden dat een stomme regel.


   III.            Pas toen ik ouder werd had ik door dat je de wereld in de glazen kooi min of meer zelf kon kiezen. Dat ze daarom grote posters in de inkom ophangen. Een detail dat mijn papa had verzwegen, hij koos graag zelf de nieuwe wereld. Daardoor belandden we altijd in zuiderse taferelen met getormenteerde mensen zonder ondertiteling omdat “je het moet voelen, voor je het kunt begrijpen”.


   IV.            Getormenteerd wil zeggen dat je ooit heel triest door iets werd en het nooit meer is weggegaan.


      V.            Die dag zouden we naar een getekende wereld gaan met wielrenners en ik hoopte dat het dieren zouden zijn (van een getekende wereld mag je altijd meer verwachten). Het zou spannend worden, dat had papa al verteld. Dus ik zat met een vrolijk gevoel in mijn buik te wachten, de dieren op hun fiets zouden niet getormenteerd zijn. Daar was ik van overtuigd. En toen gebeurde het. Plots weerklonk er luide, Franse muziek en dikke vrouwen werden uit auto’s geduwd met kleine meneertjes en toen was er het omaatje

en Champion

een hond

en ik voelde het, maar ik begreep het niet, hoe ik hen ooit gelukkig kon maken.


   VI.            Er geldt één regel in de glazen kooi. Ik mocht niet meespelen. Dus we konden enkel maar verdrinken. In alles zijn we die dag, in de glazen kooi, verdronken. Papa en ik.


Mee in een golf van, ik denk:

bezorgdheid mistroost warmte liefde bezorgdheid mistroost verdriet mistroost


Het rode fluweel prikte in mijn bezweette handen en ik kon niet denken aan de mannen met lange haren of hoe lang het nog zou duren, welk weer het in de echte wereld was en waar de ondertiteling bleef. Ik kon alleen maar denken aan

hoe ik hen ooit gelukkig kon maken

het omaatje

Champion

en de hond.


VII.            Wat we volgens mij konden doen om hen op te vrolijken maar niet deden door de stomme regel van de glazen kooi:

- Oma twee even lange benen geven - De kleuren warm maken wanneer er vooral blauw was - Hen knuffelen - Hen veel knuffelen - Oma en Champion aan elkaar vastbinden zodat ze zich nooit nog eenzaam voelden - Dode mensen terughalen


Wat mijn papa daarover te zeggen had:

-  Dan zou het omaatje niet zo’n mooi geluid maken -  De kleuren waren best al in evenwicht (zo zei hij het met de BEST AL en EVENWICHT) -  Dat snap ik -  Je moet niet overdrijven -  Misschien voelen ze zich niet eens zo eenzaam. Zou jij je hele leven aan mij vastgebonden willen worden? (ik wou dat ik toen JA had geantwoord) (ik zei nee) -   En dode mensen weer terughalen, daar kunnen we toch niet aan beginnen (dit vond ik geen sterk argument)


VIII.            En er was die zin op het eind. Die zin waar zelfs mijn papa geen raad mee wist. Ik had meer medelijden met de oude, lange, magere Champion dan met de jonge, kleine, mollige. Nooit zag ik iemand zo alleen aan een tafel zitten. Ik haatte de tafel. Die tafel kon er eigenlijk niks aan doen.

“He? Wat zegt hij nu?”

Ik stootte mijn papa hard tegen zijn arm en hoopte dat hij een luchtig antwoord zou geven. Maar ik kreeg een leeftijd waarop je zware dingen aan moest kunnen. Ik zat ondertussen helemaal vastgelijmd aan die rode zetel en papa keek me trots aan. Trots op mijn ontroering.

“Dat heb je wel gevoeld”, en hij bracht zijn vingertoppen naar zijn lippen zoals alleen hij dat kon.

“Denk jij dat ze dood is nu? Het omaatje?”

“Dat heb je wel gevoeld”, weer die handen.

“Maar wat. Zei. Hij. Dan?”

Ik wou het horen. Soms is voelen niet genoeg. Soms heb je iemand nodig waar je van houdt om het te begrijpen. Soms is begrijpen niet genoeg.


“’t is gedaan, mémé”, zei mijn papa.

“’t is gedaan, mémé”, herhaalde ik stil en ik voelde het en ik wist heel goed waarom.

(c) Jerina Malfait

13 keer bekekenSchrijf een reactie
  • Grey Facebook Icon
  • Grey Instagram Icon
Siel
Verhanneman